Begrippenlijst

De belangrijkste begrippen rond faillissement, surseance van betaling en schuldsanering, kort uitgelegd.

Akkoord
Een voorstel waarbij de schuldeisers een deel van hun vordering aanvaarden en de rest wordt kwijtgescholden, om een faillissement of surseance te beëindigen.
Bestuurdersaansprakelijkheid
De aansprakelijkheid van een bestuurder voor schulden van de onderneming, bijvoorbeeld bij onbehoorlijk bestuur voorafgaand aan een faillissement.
Bewindvoerder
De benoemde persoon bij een surseance van betaling of een schuldsanering. Een bewindvoerder beslist mee of houdt toezicht, anders dan een curator die het beheer volledig overneemt.
Boedel
Het geheel van bezittingen en schulden dat bij een faillissement onder beheer van de curator komt. Uit de boedel worden de schuldeisers betaald.
Boedelschuld
Een schuld die tijdens het faillissement ontstaat, zoals het loon van personeel of de kosten van de curator. Wordt als eerste betaald.
Centraal Insolventieregister
Het openbare register van de Rechtspraak met de in Nederland uitgesproken faillissementen, surseances en schuldsaneringen. Afgekort CIR.
Concurrente schuldeiser
Een gewone schuldeiser zonder voorrang. Komt pas aan de beurt als de schuldeisers met voorrang zijn voldaan.
Curator
De door de rechtbank benoemde persoon die een faillissement afwikkelt, meestal een advocaat. De curator behartigt het belang van de gezamenlijke schuldeisers.
Doorstart
Het voortzetten van een deel van een failliete onderneming, vaak doordat de curator de activa aan een nieuwe partij verkoopt.
Eenmanszaak
Een onderneming van een natuurlijk persoon zonder aparte rechtsvorm. Telt zowel als bedrijf als als persoon.
Eigendomsvoorbehoud
De afspraak dat geleverde goederen van de verkoper blijven tot ze betaald zijn. De verkoper kan ze dan terugvragen bij de curator.
Faillissement
Een door de rechtbank uitgesproken toestand waarin iemand zijn schulden niet meer kan betalen en zijn vermogen wordt vereffend.
Insolventienummer
Het kenmerk waarmee een zaak in het register staat. De eerste letter geeft de soort: F voor faillissement, S voor surseance, R voor schuldsanering.
Opheffing wegens gebrek aan baten
De beëindiging van een faillissement omdat er te weinig in de boedel zit om uit te delen. Concurrente schuldeisers krijgen dan niets.
Pauliana
De mogelijkheid voor de curator om een rechtshandeling van vlak voor het faillissement terug te draaien als die de schuldeisers heeft benadeeld.
Preferente schuldeiser
Een schuldeiser met een wettelijke voorrang, zoals de Belastingdienst of het UWV. Wordt eerder betaald dan een gewone schuldeiser.
Rechter-commissaris
De rechter die toezicht houdt op de curator of bewindvoerder en toestemming geeft voor de belangrijkste beslissingen.
Rechtspersoon
Een juridische entiteit zoals een bv, nv of stichting, los van de personen erachter.
Schone lei
De situatie na een geslaagde schuldsanering waarin de overgebleven schulden niet meer afdwingbaar zijn.
Schuldsanering (Wsnp)
Een wettelijk traject voor natuurlijke personen om in een vaste periode van de schulden af te komen, met als doel een schone lei.
Slotuitdeling
De uiteindelijke verdeling van het boedelactief onder de schuldeisers aan het einde van een faillissement.
Surseance van betaling
Een tijdelijk uitstel van betaling voor een onderneming, bedoeld om te herstellen of een akkoord met de schuldeisers te bereiken.
Verificatie
Het vaststellen van de ingediende vorderingen door de curator, zodat duidelijk is wie hoeveel tegoed heeft.
Verificatievergadering
De zitting bij de rechtbank waar de vorderingen definitief worden vastgesteld.
WHOA
De Wet homologatie onderhands akkoord. Maakt het mogelijk een akkoord met schuldeisers door de rechter te laten bekrachtigen om een faillissement te voorkomen.

Meer uitleg vind je in de kennisbank. Heb je juridisch advies nodig, dan kun je terecht bij nl.legal.